Profiel van Willem de Vroomen Word fan

Geen foto

Willem de Vroomen

Geboren 1937. Lagere shool. HBS-A. Twee jaar gewerkt. Daarna ingeschreven voor studie psychologie. Na korte tijd gestopt met studeren, daarna enkele jaren van alles en nog wat. Werken bij de hoogovens en vele andere bedrijven, kort als scheepskok gevaren, gewerkt voor de Europese Werkgroep van Beatrix: huizen gebouwd in Dousadj (Iran, toen nog Perzië van de sjah). Deelnemer elfstedentocht in 1963 (niet verder gekomen dan Staveren, in 1986 wel kruisje verdiend). In 1964 begonnen met studie sociologie, afgestudeerd in 1971. Actief in voorgangers van de SP, vanaf 1972 lid van de SP. Van 1972 tot 1980 actief SP-lid in Leeuwarden. Verhuisd naar Alkmaar: SP-afdeling opgericht. Korte tijd lid van het dagelijks bestuur van de SP, lid van het hoofdbestuur, afdelingsvoorzitter, gemeenteraadslid. Vanaf 1970 werkzaam in het onderwijs, enkele jaren HAVO/VWO, daarna ongeveer 25 jaar in het MBO. Gehuwd sinds 1971, vier kinderen, zes kleinkinderen. Sinds 2001 gepensioneerd. Vanaf ongeveer 2000 zeer kritisch SP-lid. Vanaf 2004 nog wel SP-lid, maar politiek gezien al 'afscheid' genomen. In 2007 samen met anderen Socialistisch Manifest opgesteld, gepubliceerd op de website "nieuwsocialisme.nl". Dat heeft niet opgeleverd wat wij hoopten en verwachtten.

Ik ben fan van

Ik ben nog van niemand fan.

Mijn laatste reacties

  • wo 16 mei 2012 17:01, bij SP en VVD samen aan tafel?

    Willem

    De SP als regeringspartij?

    Met het vertrek van Wilders als gedoogpartner uit de coalitie is de laatste rem op bezuinigen en hervormen verdwenen. Ondanks al zijn onzinnige kreten over de islam, allochtonen en asielzoekers was hij soms een lastig obstakel voor de plannen van VVD en CDA. Tegelijkertijd steunde hij ook vaak de asociale maatregelen die de regering voorstelde. En als hij dat niet deed werden die maatregelen wel weer gesteund door de zogenaamde oppositie van PvdA, Groen Links en D66.
    In de nieuwe politieke situatie kan er nu volop hervormd en bezuinigd worden, want de ideeën van Groen Links, D66 en Christen Unie sluiten prima aan bij die van CDA en VVD. En hoewel de PvdA nu even buitenspel staat, zal die partij natuurlijk haar uiterste best doen weer aansluiting te vinden bij de nieuwe regeringsclub. Blijft naast de PVV de SP over als enige serieuze oppositiepartij.
    Uit een onderzoek onder de leden van de SP is gebleken dat een derde van die leden het niet zit zitten dat hun partij gaat deel nemen aan de nieuwe regering die na de verkiezingen in september gevormd gaat worden. Dat neemt niet weg dat de leiding van de SP voluit op die koers gaat: De SP kan en wil mee besturen.
    Die wens is natuurlijk principieel onjuist: In een kapitalistisch georganiseerde maatschappij moet een socialistische partij niet mee besturen maar een krachtige socialistische oppositiebeweging vormen in en vooral buiten de diverse gekozen parlementen zoals Tweede Kamer en gemeenteraden.
    Maar behalve dat die keuze voor mee besturen principieel onjuist is, is het in de huidige situatie ook nogal onrealistisch: geen enkele partij heeft zich uitgesproken voor samenwerking met de SP, integendeel. En dat is ook begrijpelijk, want kiezen voor samenwerking met de SP betekent bijna automatisch kiezen voor de oppositie. Want iedere partij die in de huidige situatie kiest voor de SP wordt door de andere partijen direct buiten gesloten. De hoop van de SP-leiding is natuurlijk gevestigd op een grote verkiezingswinst op 12 september. Dan kunnen de andere partijen niet meer om de SP heen. Dat zal in de praktijk tegenvallen, tenzij de SP 51% van de stemmen haalt, wat niet te verwachten is. Bij een lager percentage is er volop mogelijkheid voor een coalitie zonder de SP. En die grote winst voor de SP is twijfelachtig: Emile Roemer is een beetje over zijn piek heen (daarom ook zijn wens voor verkiezingen al in juni!). Bovendien is de PvdA al weer wat op de weg terug en is de positie van GroenLinks, D66 en de Christen Unie sterker geworden.
    Dat geen enkele partij kiest voor de SP betekent dat de SP nog onvoldoende is aangepast aan datgene wat politiek gebruikelijk en acceptabel is. Kort geleden stond in de krant een artikel over de vraag of de SP tot de populistische partijen gerekend moet worden. Natuurlijk een onzinnige vraag: de SP is allesbehalve populistisch. Hoewel: wat kan een partij als de SP behalve socialistisch nog meer zijn?

    Toch kwamen de ‘deskundigen’ in de krant wel tot die conclusie: een partij die zich vooral bekommert om de belangen van de gewone werkende mensen moet wel populistisch zijn. En dat steeds maar bezwaren maken door de SP tegen marktwerking in onderwijs, zorg en volkshuisvesting is in de opvattingen van de gevestigde politiek ook nogal populistisch.
    Maar de ‘deskundigen’ waren toch ook wel hoopvol: De SP “zit in een proces van sociaaldemocratisering”. En als dat proces zich nu maar flink doorzet, dan is er heus wel een toekomst voor de SP als bestuurderspartij.
    Een “proces van sociaaldemocratisering”: zich ontwikkelen van een socialistische oppositiebeweging in en buiten de parlementen in de richting van een sociaaldemocratische bestuurderspartij. En in dat proces is de SP in de ogen van de gevestigde politiek nog lang niet ver genoeg gevorderd.
    Het komende SP-congres zal dan ook vooral betekenis hebben als signaal naar de gevestigde politieke machten dat de SP weliswaar Socialistische Partij heet, maar in de praktijk betrouwbaar zal zijn als medebestuurder.
    Nog even over de SP als populistisch, er zit toch een kern van waarheid in. De visie van de SP op de economische crisis suggereert dat er een simpele oplossing is voor die crisis: wat minder invloed van Europa, wat minder privatisering en marktwerking en terug naar de overlegeconomie uit de jaren zestig en zeventig. Terug naar het “Rijnlandse model” zoals Jan Marijnissen zo graag bepleit. In zo’n visie wordt gesuggereerd dat de huidige situatie een gevolg is van een aantal domme inzichten en beslissingen. Dat het bij een verstandig beleid ook anders had gekund. Terwijl die situatie natuurlijk een rechtstreeks gevolg is van de ontwikkelingen in de kapitalistische economie. De vooral sociaaldemocratische benadering van de economie van na de tweede wereldoorlog was gebaseerd op de theorieën van de econoom Keynes: de overheid remt de economie in tijden van hoogconjunctuur en stimuleert in tijden van recessie. Een hoopvolle gedachte: het was mogelijk de uitwassen van het kapitalisme op te heffen zonder veranderingen in socialistische richting. Toen een hoopvolle gedachte, een illusie in de tegenwoordige situatie. Hoe kan de overheid de economie stimuleren met een enorme staatsschuld die juist om bezuinigen vraagt? Hoe kan de overheid de tegenstellingen tussen de kapitalistische machthebbers oplossen: de industrie vraagt om lage lonen, de grootwinkelbedrijven willen juist meer koopkracht (en natuurlijk ook lage lonen voor hun eigen personeel!). Griekse, Spaanse en Italiaanse ondernemers willen lagere lonen om hun exportproducten goedkoper te maken. Maar dan moeten Duitse ondernemers juist weer hogere lonen betalen om de Duitse export weer duurder te maken! En welke macht heeft de overheid tegenover de zgn. financiële markten: de banken, de beleggers, de speculanten, de vermogensbeheerders? Voorbeeld: De Europese Centrale Bank heeft de afgelopen maanden duizend miljard (!) euro geleend aan de Europese banken tegen een rente van één procent. Met de bedoeling dat banken die euro’s gebruiken om krediet te verlenen aan bedrijven om de industrie weer op gang te brengen. En aan burgers om de bouw (hypotheken!) en de consumptie te stimuleren.
    In plaats daarvan worden veel van die euro’s uitgeleend aan vooral Zuid-Europese overheden tegen een rente van zes procent. Resultaat: de staatsschulden nemen toe, de rente op die schulden stijgt en de banken worden slapend rijk. En mochten ze nog weer eens in de problemen komen, kloppen ze bij die zelfde overheden weer aan om staatssteun. En dus leggen die overheden hun burgers steeds meer bezuinigingen op. En zo is de cirkel rond.
    Een direct gevolg van de kapitalistische gang van zaken in de economie: de meeste Nederlanders verdienen hun brood in de ‘diensteneconomie’. De industrie (“maakindustrie”) is verplaatst naar landen met lagere lonen. In die landen kan nog volop winst gemaakt worden, tot zo lang het duurt. En juist in die industrie wordt echte waarde geproduceerd, “meerwaarde” zoals Marx het noemde. Mensen in de dienstverlening werken wel hard, maar ze produceren eigenlijk weinig of niets. Ze kunnen met hun harde werken hun en onze welvaart niet op peil houden.
    De kapitalistische economie zit in een diepe crisis, direct voortkomend uit de aard van het kapitalisme. En voor die crisis bestaan geen simpele oplossingen. Het is een illusie te denken dat een andere regering in Nederland (“links progressief”) de crisis kan oplossen. Het is onfatsoenlijk en misschien populistisch om te proberen de kiezers dat wel wijs te maken. In het programma van de SP zullen ook oplossingen voor de crisis genoemd worden. Onmogelijke en daarom simpele oplossingen. En simpel lijkt toch wel erg op populistisch.
    Het komende SP-congres zou zich weer eens uitgebreid moeten buigen over de vraag wat socialistisch in de naam Socialistische Partij eigenlijk betekent.

    Willem de Vroomen
    Alkmaar

  • di 29 november 2011 12:53, bij SP: PVV Limburg komt verkiezingsbeloftes niet na

    Willem

    SP komt beloften niet na.
    Het SP-programma voor de raadsverkiezingen in Alkmaar bevat weinig concrete punten. Het is een aaneenschakeling van algemeenheden. In de inleiding b.v.: de SP wil een stad waarin menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit uitgangspunten zijn. Bovendien wil de SP een aantrekkelijke stad voor iedereen, een stad waarin iedereen zich kan thuis voelen. Met voldoende zorg aan huis, veel werkgelegenheid, geen mensenhandel en gedwongen prostitutie. En waarin uitkeringstrekkers niet bij voorbaat verdacht zijn. Een stad waar ouderen en minder validen volop mee doen en jongeren een toekomstverwachting kunnen hebben. Prachtig, wie zou daar bezwaar tegen kunnen hebben.
    De inleiding wordt in de verschillende hoofdstukken uitgewerkt. Ook daar weer veel mooie woorden en algemeenheden. Met een aantal concrete uitwerkingen en voornemens. Zoals:
    De SP wil b.v. in elke buurt in Alkmaar een buurtcentrum en een opbouwerker. En de bibliobus moet terug. Plus twee nieuwe bibliotheken in twee genoemde wijken. Ook wil de SP in Alkmaar in de komende jaren 2000 betaalbare nieuwe woningen bouwen, plus 500 betaalbare woningen in en om het centrum voor éénpersoonshuishoudens. En het gemeentelijk woningbedrijf heroprichten. Daarbij ook nog eens versneld bouwen van gezinswoningen in de laagste inkomenscategorie. En de leegstand benutten voor nuttige zaken. De SP wil parkeerplaatsen buiten de stad, met gratis busverbinding naar het centrum, ze wil een oplossing voor de verkeerssituatie bij de spoorbrug. De bioscoop in het centrum behouden, concierges op de basisscholen, huiskamers voor jongeren en jongerencentra, het autogebruik in de binnenstad terug dringen, de gemeentelijke business-seats bij AZ opzeggen, de privatisering van het onderwijs tegengaan, verzelfstandiging van gemeentelijke diensten stoppen, externe adviseurs verminderen,
    integratiebedrijven buiten de deur, fatsoenlijker schuldsanering, geen vuurwerkopslag in woonwijken, politeposten in de Mare en op de Dijk.
    Toen kandidaatwethouder Miriam Hamberg de deelname van de SP in het gemeentebestuur verdedigde gaf zij aan dat de andere partijen alle belangrijke punten van de SP hadden overgenomen. Dat waren dan natuurlijk de punten uit de inleiding van het programma. Want van de werkelijk concrete punten is niets in het collegeprogramma terug te vinden. En er zijn van de zijde van de SP-fractie ook geen voorstellen gedaan om die concrete punten te realiseren. Dus geen concrete plannen en voorstellen voor de bibliobus en de bibliotheken, voor het beëindigen van de AZ-business-seats. Ook niet voor de huiskamers voor jongeren en jongerencentra, huiskamerprojecten en huiswerkbegeleiding, voor creatieve vrijplaatsen, voor meer en betere politiezorg, fatsoenlijke schuldsanering, minder externe adviseurs, minder integratiebedrijven. En al helemaal geen plannen en voorstellen op het gebied van woningbouw en jongerenhuisvesting. En ook niet voor het gemeentelijk woningbedrijf.
    Aan de andere kant staan dan de plannen van het college van B.en W. voor de komende jaren, met instemming van SP-wethouder en –fractie:
    - Twee tunnels bij de spoorbrug i.p.v. een veilige brug voor fietsers en voetgangers, met het doel een betere auto-bereikbaarheid van de binnenstad.
    - De bouw van een nieuwe brug over het kanaal, met aanvoerwegen langs een woonwijk.
    - De aanleg van nieuwe parkeerplaatsen in de binnenstad.
    - Opheffen van éénrichtingsverkeer in straten bij de binnenstad ook weer ten behoeve van een betere auto-bereikbaarheid van die binnenstad.
    - De bouw van een nieuwe bioscoop buiten het centrum.
    - Ontslag van concierges en andere werknemers met een ID-baan, plus bezuinigingen op de sociale werkvoorziening.
    - Verdere verzelfstandiging en privatisering van diensten en instellingen.
    De bouw van het culturele prestige-object Yxie, waarvan de SP-fractie in aansluiting op de PvdA enthousiast voorstander was, is afgeblazen, wederom met enthousiaste instemming van de SP-fractie. Voorstellen tot verwijdering van vuurwerkopslag uit woonwijken zijn met instemming van de SP-fractie verworpen.
    Hoezo, SP in Limburg, kritiek op de PVV?
    Interessant: Groen Links in Alkmaar (in de oppositie!) heeft kritiek op SP-wethouder Hamberg vanwege de voorgenomen bezuinigingen op de ID-banen en de sociale werkvoorziening. De SP in Amsterdam (in de oppositie!) heeft in bijna gelijk luidende bewoordingen kritiek op soortgelijke bezuinigingen van de Amsterdamse Groenlinks-wethouder. Hoe steviger op het pluche, hoe beschamender het opportunisme. Van welke politici van welke partij dan ook: SP, Groen Links, PVV.

    Willem de Vroomen

  • wo 05 oktober 2011 20:54, bij Vergroting noodfonds gaat niet helpen

    Willem

    Ja Simon, Marx had en heeft gelijk. Lees maar verder.
    Oorzaken van de economische crisis.
    In de media wordt veel gepubliceerd en verkondigd over de huidige economische crisis en de oorzaken daarvan. Opvallend is dat de vele ‘deskundigen’ geen eensluidend oordeel geven over deze kwestie. Heel veel antwoorden passeren de revue, met als belangrijk kenmerk de morele component. Gebrek aan leiderschap, onverantwoordelijk gedrag, ontbrekend vertrouwen, inhaligheid, graaigedrag, consumptiedwang, zelfs consumptieverslaving met daar tegenover dan weer voorzichtigheid met bestedingen (‘vraaguitval’) en versterkt spaargedrag. Nog onlangs noemde een hoogleraar (!) economie in de krant als oorzaak van de crisis dan weer: “overmatig consumentisme en materialisme”. Soms worden termen gebruikt die de indruk wekken van geleerde ‘wetenschappelijke’ objectiviteit: verouderde productiecapaciteit, lage productiviteit, negatief investeringsklimaat, te weinig of juist te veel overheidsinvesteringen, te hoge of juist te lage rente, een actievere of juist terugtredende overheid, te geringe concurrentiekracht. In het algemeen kan gezegd worden dat de symptomen van de economische crisis verward worden met de oorzaken. En het verwarren van symptomen en oorzaken leidt uiteraard tot het volledig ontbreken van een eensluidende visie op mogelijke oplossingen. De diverse oplossingen zijn vaak volstrekt met elkaar in tegenspraak en worden ook weer gekenmerkt door een morele benadering. En ook hier weer die zelfde quasiwetenschappelijke, elkaar vaak tegensprekende en in strijd met elkaar zijnde benaderingen. Al die tegenstrijdigheden houden natuurlijk direct verband met het feit dat veel bestaande economische en politieke machtsgroepen tegenstrijdige belangen hebben. Met de aan iedere groepering verbonden elkaar tegensprekende ‘wetenschappelijke’ economen. De economische wetenschap is dan ook nauwelijks een wetenschap te noemen, maar eerder de ideologische spreekbuis van machtige groeperingen in economie en politiek. Tenslotte valt op dat voor de huidige situatie een aantal termen wordt gebruikt om de aard van die situatie te verbloemen: kredietcrisis, bankencrisis, financiële crisis, recessie, depressie. En zoals al eerder genoemd: vertrouwenscrisis, waardencrisis, politieke crisis, moreel failliet enzovoort. Terwijl het toch helder is waar het om gaat: een crisis in de kapitalistische economie.
    De kapitalistische economie.
    Wanneer ondernemers zich zorgen maken over ‘onze’ economie, beweren ze vaak dat de productiviteit te laag is. Ze bedoelen daarmee dat het verschil tussen kosten en opbrengsten van werknemers te klein is. Met uiteraard negatieve gevolgen voor de winsten. Om te beginnen zullen de kosten dus omlaag moeten. Kosten verlagen kan op verschillende manieren. Lonen en salarissen verlagen of in ieder geval niet laten stijgen, dat is een eerste. Een tweede is de arbeidstijd verlengen, werknemers langer laten werken dan b.v. acht uur per dag, het aantal vakantiedagen verminderen of de pensioenleeftijd verhogen. Ook voor het vergroten van de opbrengsten hebben ondernemers mogelijkheden. De eerste is investeren in arbeidsbesparende machines. Dat mes snijdt aan twee kanten: er zijn minder werknemers nodig, dus de loonkosten dalen. Maar ook: door het gebruik van machines kan er meer en goedkoper geproduceerd worden dan door de concurrentie. Met andere woorden: de opbrengsten nemen toe. Een tweede is de inzet van beter geschoolde werknemers. Beter geschoolde werknemers produceren beter en kunnen ook de vaak ingewikkelde machines bedienen. Ook dat leidt weer tot hogere opbrengsten.
    Toen Karl Marx en Friedrich Engels ruim 150 jaar geleden de toenmalige kapitalistische economie analyseerden, beschreven zij ook de hierboven genoemde processen. Ze gebruikten andere termen. Spraken niet over werknemers, maar over arbeidersklasse. Niet over werkgevers, maar over kapitalistenklasse of bourgeoisie. Het verschil tussen dat wat een arbeider nodig heeft om met zijn gezin van te leven en het door hem geproduceerde, noemde Marx “meerwaarde”. Die meerwaarde ontdekte hij als de bron van de winst. De toename van de productiviteit zoals dat tegenwoordig genoemd wordt, noemden zij de groei van de meerwaarde. De strijd om lonen en werktijden, tussen arbeiders en kapitalisten, noemden Marx en Engels “klassenstrijd”. Die strijd dwingt de ondernemers hun productie steeds te moderniseren om arbeidskosten te besparen.
    Daarom is klassenstrijd eigenlijk de motor van de economische en maatschappelijke vooruitgang. Maar tegelijk roept dat proces zelf onoplosbare tegenstellingen op. Ten eerste daalt door die modernisering en die besparingen op arbeidskosten de winst.
    Omdat arbeid de bron is van meerwaarde en winst, zorgen arbeidsbesparende machines voor een daling van de winst. Machines zelf leveren immers geen meerwaarde. En dus ook geen winst. Ze maken alleen de werknemer productiever. Een tweede probleem is dat door machines overbodig geworden werknemers geen loon of salaris meer ontvangen en dus de geproduceerde goederen niet meer kunnen kopen. Dankzij machines wordt er veel meer geproduceerd, maar minder geconsumeerd: Overproductie en onderconsumptie. Dalende winsten, overproductie, te weinig consumptie, verminderde economische groei, allemaal oorzaken en symptomen van de steeds weer terugkerende crises in de kapitalistische economie.
    Globalisering.
    Oplossingen werden en worden gezocht door kapitaal buiten de grenzen te investeren, op zoek naar grondstoffen, arbeidskrachten en nieuwe afzetmarkten. Deze eerste globalisering van de kapitalistische economie aan het eind van de negentiende eeuw leidde tot spanningen en tegenstellingen vergelijkbaar met die van de huidige globalisering. Toen die globalisering, zich manifesterend in kolonialisme en imperialisme, geen duurzame oplossing bood voor de problemen van de kapitalistische economie, bleef de alles verwoestende oorlog tussen concurrerende kapitalistische landen een laatste redmiddel: in de loop van de vorige eeuw alleen al twee wereldoorlogen. Plus koloniale en onafhankelijkheidsoorlogen in gebieden buiten Europa en Amerika.
    Krediet.
    Door de onvermijdelijk voortdurend dalende winsten blijft er onvoldoende kapitaal over om opnieuw te investeren. Als reactie daarop wordt in de kapitalistische economie het moderne kredietsysteem op steeds grotere schaal toegepast. In feite is dat niets anders dan investeren van kapitaal dat nog niet in de productie is verdiend, er wordt een voorschot genomen op toekomstige productie. Dat daar op de langere duur grenzen aan zijn, kan ieder mens met een gezond verstand begrijpen. De tegenwoordige ‘kredietcrisis’ is daarvan een illustratie.
    China.
    Bankiers en financiers zijn er lang in geslaagd de fundamentele tegenstelling tussen groeiend aanbod en stagnerende vraag (overproductie en onderconsumptie!) te overbruggen. Dat houdt onder meer verband met de enorme economische groei in China in de afgelopen jaren. Tegen zeer lage lonen worden in China veel consumptiegoederen geproduceerd. Maar juist door de lage lonen zijn de Chinese arbeiders niet altijd in staat die goederen ook zelf te kopen. Dus wordt een groot deel van die productie uitgevoerd, naar Amerika, maar ook naar Europa en andere landen in de wereld. Die invoer in Amerika en andere landen wordt aan China betaald in dollars. China en de rest van de wereld beschikken dus over een enorme hoeveelheid dollars die voor een groot deel weer worden uitgeleend aan de Amerikaanse regering en aan Amerikaanse banken en bedrijven. Met die dollars wordt de Amerikaanse staatsschuld (en de Amerikaanse oorlogsvoering!) gefinancierd. Een staatsschuld van duizenden miljarden dollars. Via banken en financiers werd de Amerikaanse bevolking in staat gesteld op grote schaal op krediet te consumeren, ondanks de ook in Amerika dalende inkomens van de werkende bevolking. Het is duidelijk dat Amerika nooit werkelijk in staat zal zijn die enorme schulden af te lossen. Er komt een moment dat de kunstmatige koers van de dollar instort, met een diepe economische crisis op wereldschaal als resultaat. De praktijken van de kredietverstrekkers zijn volledig los geraakt van de maatschappelijke en economische werkelijkheid. De zogenaamde zakenbanken die samenwerken met beleggingsfondsen hebben helemaal geen spaargeld als basis voor hun financieringen, eigenlijk helemaal geen reëel geld. Zij lenen het geld van andere banken en financiers, die dat geld op hun beurt ook weer geleend hebben. Want die andere banken die wel een dergelijke basis moeten aanhouden kunnen volstaan met slechts 5 tot 6 en soms zelfs met maar 3 tot 4 procent dekking met reëel geld.

    Tegelijkertijd hebben die zelfde kredietverstrekkers door hun financiële en economische macht een onvoorstelbare en niet te controleren invloed op die maatschappelijke en economische werkelijkheid. Dat dit systeem moet vastlopen en in elkaar klappen zien we nu in de huidige economische crisis gebeuren.
    Euro.
    Ook de recente problemen met de euro zijn een element van de economische crisis. De banken die zichzelf door de ongecontroleerde kredietverstrekkingen in de problemen hadden gebracht moesten door de diverse Europese overheden worden gered. Daardoor groeiden de schulden van die overheden (staatsschuld) tot enorme hoogte, vooral in de zwakste economieën van Griekenland, Portugal en Ierland. De schulden in die landen waren in de afgelopen jaren ook al enorm toegenomen door de financiering op krediet van de import vanuit vooral de noordelijke Europese landen, in het bijzonder vanuit Nederland en Duitsland. De schulden van die zwakke landen (staatsobligaties) zijn in handen van banken, in die landen zelf, maar ook van banken in en buiten Europa. Bij een faillissement van één of meerdere landen komen die banken enorm in de problemen en dreigen ook daar faillissementen. Daarom moeten die zwakke landen koste wat kost gesteund worden vanuit Europese en internationale noodfondsen. Met ook hier weer natuurlijk het zelfde probleem: die noodfondsen zijn niet gevuld met reëel geld maar met geld dat nog niet in de huidige of toekomstige productie is verdiend. En dit hele proces wordt nog eens verder gestimuleerd door de ongecontroleerde activiteiten van internationale financiers en speculanten. Interessant maar tegelijkertijd verbijsterend is het dan een vooraanstaande sociaaldemocratische politicus te horen beweren dat de oplossing voor de crisis gevonden moet worden in het “herstel van het vertrouwen in de financiële markten”. De laatste voorstellen voor een oplossing gaan nu in de richting van verder gaande Europese politieke en economische eenwording, met verlies van nationale zelfstandigheid van de Europese landen. Het ‘heldhaftige’ verzet van niet alleen populistische politici zal dit niet kunnen keren. Voor de redding van de kapitalistische economie is een ontwikkeling naar de federale Verenigde Staten van Europa niet te stoppen. In de jaren zestig van de negentiende eeuw was er in Amerika zelfs een burgeroorlog voor nodig om dit proces te voltooien. Het verschil is dat dit toen nodig was voor de verdere groei van de kapitalistische economie. In het huidige Europa is het slechts een noodsprong die de crisis kan vertragen, maar niet oplossen.
    Groei.
    Ook de kwestie van de ‘economische groei’ hangt samen met de aard van de kapitalistische economie. In de aanvang ontwikkelt een kapitalistische economisch systeem zich razendsnel, met groeicijfers van wel tien procent of meer per jaar. Tot de problemen zich aandienen van overproductie, onderconsumptie, dalende winsten, minder kapitaal beschikbaar om te investeren. En de economische groei begint te stagneren. Als reactie gaan ondernemers en investeerders op zoek naar nieuwe terreinen om kapitaal (op krediet) winstgevend te maken. Dat is de achtergrond van het neoliberale beleid om nieuwe gebieden onder de werking van de markt te brengen en ook publieke diensten meer en meer te privatiseren of te verzelfstandigen: energie, openbaar vervoer, onderwijs, gezondheidszorg, post. Er zit ook nog een tweede kant aan dat kredietsysteem. Door de overproductie en de dreigende onderconsumptie is er bij de consumenten met hun relatief (en vaak ook absoluut) dalende inkomens onvoldoende mogelijkheid de door werknemers geproduceerde goederen (en diensten) aan te schaffen. Als oplossing worden die consumenten ertoe verleid en verplicht om veel op krediet te kopen: huizen, auto’s, huishoudelijke apparatuur enz. Ook dat is een onderdeel van de ‘kredietcrisis’. Beide kanten van die crisis manifesteren zich op dit moment het sterkst in Amerika, maar ook Groot-Brittannië en Europa (eurocrisis!) ontkomen er niet aan. Ook China en andere goedkoop producerende landen ondervinden er de gevolgen van. De stagnerende export heeft in China al sluiting van bedrijven en groeiende werkeloosheid veroorzaakt. Verhoging van de lonen om zo de consumptie te stimuleren is onmogelijk, want dat leidt ook in het kapitalistische China tot vermindering van de meerwaarde en tot daling van de winsten. Zo is de cirkel rond en stort de kapitalistische economie de wereld in een economische crisis vergelijkbaar met de crisis in de jaren dertig van de vorige eeuw.
    Het “reserveleger”.
    Als in de kapitalistische economie de werkeloosheid groeit, leidt dat vaak tot vreugde bij de investeerders en tot stijging van koersen op de beurzen. Dat lijkt merkwaardig, maar dat is het niet. Toenemende werkeloosheid leidt immers tot veel aanbod van en een verminderde vraag naar arbeidskrachten. De prijs daalt. Lonen dalen, of stijgen in ieder geval niet. Dat leidt echter zoals gezegd direct weer tot een nieuw probleem: lagere lonen betekenen verminderde consumptie. Allereerst vooral bij bedrijven die produceren voor de binnenlandse markt of zich bezig houden met de distributie en verkoop van goederen. Een ondernemer betaalt zijn personeel graag weinig loon, maar hoopt dat zijn concurrenten hoge lonen moeten betalen. En hoopt ook dat die hogere lonen aan zijn producten uitgegeven worden. Die steeds weer terugkerende werkeloosheid levert dus een probleem aan de kant van de consumptie. Maar aan de kant van de productie is het onmisbaar: een groot aantal werkelozen drukt het loonpeil. Marx en Engels gebruikten voor deze in de kapitalistische economie onmisbare werkelozen de term “industrieel reserveleger”. Natuurlijk moet dat reserveleger wel beschikbaar zijn voor de productie, vandaar dat er zo veel energie besteed wordt aan scholing, bijscholing, omscholing van mensen zonder werk. Wat weer een nieuwe tegenstrijdigheid oplevert: die mensen produceren niet, maar kosten wel geld. Dat moet betaald worden uit belastinggeld, maar ondernemers betalen niet graag belasting, want dat gaat ten koste van de winsten en van het voor investeringen benodigde kapitaal. Ondernemers doen voortdurend een beroep op de overheid (in hun ‘kredietcrisis’ gaat het om honderden miljarden!), maar willen (en vooral: kunnen) aan dat overheidswerk niet mee betalen. Zij hebben behoefte aan goed geschoolde werknemers, maar willen en kunnen geen geld aan onderwijs en scholing besteden of er belasting voor betalen. Vandaar hun voortdurend klinkende oproep dat de overheidsuitgaven omlaag moeten.
    Conclusie.
    Al met al kan geconcludeerd worden dat de marxistische analyse van de kapitalistische economie ondanks alle veranderingen nog steeds nuttig en bruikbaar is. Dat was 150 jaar geleden ook de kracht van het werk van Marx en Engels: een analyse van de toenmalige economie en de daaraan gekoppelde maatschappelijke verhoudingen. Over de uitweg uit de kapitalistische tegenstrijdigheden, socialisme, hebben zij wel iets geschreven, maar alleen in zeer algemene termen. Ook over het socialisme als uitweg uit de huidige crisis kan maar in zeer algemene termen gesproken en gesproken worden. Zonder met een blauwdruk voor een socialistische maatschappij te komen en zonder spitsvondige discussies over de precieze inrichting van die maatschappij. Het gaat er veel meer om te doorgronden waardoor de kapitalistische ordening van de maatschappij, met het individueel eigenbelang als leidend principe in de economie en met de daarmee samenhangende ondernemingsgewijze productie, de markt, de concurrentie en de winst, door de ontwikkeling achterhaald is en plaats moet maken voor een nieuwe maatschappelijke ordening. Met een rationele planning van de economische productie en consumptie in plaats van de chaotische gang van zaken in de markteconomie. Met de nadruk op gemeenschapszin en solidariteit in plaats van op individueel eigenbelang. Met een visie op de samenleving die mensen maatschappelijk inspireert en actief maakt en vertrouwen geeft voor de toekomst. Linkse, progressieve, sociaaldemocratische en anderszins maatschappijkritsische personen en organisaties moeten het initiatief nemen om de socialistische weg uit de huidige crisis opnieuw aan de orde te stellen. Want, om het maar duidelijk te stellen: “Alleen het socialisme biedt een toekomst!”.

    Willem de Vroomen
    Alkmaar

  • ma 26 september 2011 11:54, bij Lagarde: Wereldeconomie nog steeds kritiek

    Willem

    Zoals bijna alle economen verwart ook Lagarde de oorzaken van de crisis met de symptomen: Gebrek aan leiderschap, geen toegang tot krediet, gebrekkig onderwijs, toenemend protectionisme. Ook in haar oplossingen keert zij weer terug naar die symptomen. Er zijn te veel schulden, te veel zwakke banken, te veel overheidsschulden, te weinig krediet. De financiele markten moeten hervormd, er moet meer balans komen tussen overheids- en particuliere uitgaven, de handelsoverschotten zijn in sommige landen te groot, in andere landen te klein. Inderdaad, dat zijn de symptomen van de crisis. Maar deze symptomen worden niet weg genomen als er niets wordt gedaan aan de structurele oorzaken van de crisis in de kapitalistische economie. Wanneer ondernemers zich zorgen maken over ‘onze’ economie, beweren ze vaak dat de productiviteit te laag is. Ze bedoelen daarmee dat het verschil tussen kosten en opbrengsten van werknemers te klein is. Om te beginnen zullen de kosten dus omlaag moeten. Lonen en salarissen verlagen of in ieder geval niet laten stijgen. De arbeidstijd verlengen, werknemers langer laten werken dan b.v. acht uur per dag, het aantal vakantiedagen verminderen of de pensioenleeftijd verhogen. Investeren in arbeidsbesparende machines. Er zijn minder werknemers nodig, dus de loonkosten dalen. Door het gebruik van machines kan er meer en goedkoper geproduceerd worden dan door de concurrentie. De inzet van beter geschoolde werknemers. Beter geschoolde werknemers produceren beter en kunnen ook de vaak ingewikkelde machines bedienen.
    Toen Karl Marx ruim 150 jaar geleden de toenmalige kapitalistische economie analyseerde, beschreef hij ook de hierboven genoemde processen. Het verschil tussen dat wat een arbeider nodig heeft om met zijn gezin van te leven en het door hem geproduceerde, noemde Marx “meerwaarde”. Die meerwaarde ontdekte hij als de bron van de winst. De toename van de productiviteit zoals dat tegenwoordig genoemd wordt, noemde hij de groei van de meerwaarde. Maar door die modernisering en besparingen op arbeidskosten dalen de meerwaarde en de winst. Omdat arbeid de bron is van meerwaarde en winst, zorgen arbeidsbesparende machines voor een daling van de winst. Machines zelf leveren immers geen meerwaarde. En dus ook geen winst. Ze maken alleen de werknemer productiever. Een tweede probleem is dat door machines overbodig geworden werknemers geen loon of salaris meer ontvangen en dus de geproduceerde goederen niet meer kunnen kopen. Dankzij machines wordt er veel meer geproduceerd, maar minder geconsumeerd. Dalende winsten, overproductie, te weinig consumptie, verminderde economische groei, allemaal oorzaken en symptomen van de steeds weer terugkerende crises in de kapitalistische economie. Door de onvermijdelijk voortdurend dalende winsten blijft er onvoldoende kapitaal over om opnieuw te investeren. Als reactie daarop wordt in de kapitalistische economie het moderne kredietsysteem op steeds grotere schaal toegepast. In feite is dat niets anders dan investeren van kapitaal dat nog niet in de productie is verdiend, er wordt een voorschot genomen op toekomstige productie. Dat daar op de langere duur grenzen aan zijn, kan ieder mens met een gezond verstand begrijpen. De tegenwoordige ‘kredietcrisis’ is daarvan een illustratie. De praktijken van de kredietverstrekkers zijn volledig los geraakt van de maatschappelijke en economische werkelijkheid. De zogenaamde zakenbanken die samenwerken met beleggingsfondsen hebben helemaal geen spaargeld als basis voor hun financieringen, eigenlijk helemaal geen reëel geld. Zij lenen het geld van andere banken en financiers, die dat geld op hun beurt ook weer geleend hebben. En andere banken die wel een dergelijke basis moeten aanhouden kunnen volstaan met slechts 5 tot 6 en soms zelfs met maar 3 tot 4 procent dekking met reëel geld. Tegelijkertijd hebben die zelfde kredietverstrekkers door hun financiële en economische macht een onvoorstelbare en niet te controleren invloed op die maatschappelijke en economische werkelijkheid. Dat dit systeem moet vastlopen en in elkaar klappen zien we nu in de huidige economische crisis gebeuren. Zo kan geconcludeerd worden dat de marxistische analyse van de kapitalistische economie ondanks alle veranderingen nog steeds nuttig en bruikbaar is. Dat was 150 jaar geleden ook de kracht van het werk van Marx: een analyse van de toenmalige economie en de daaraan gekoppelde maatschappelijke verhoudingen. In de politieke en economische discussies over de crisis is het spreken in termen van de marxistische analyse van de kapitalistische economie en van de crisis tot taboe verklaard. Toch is het van belang te doorgronden waardoor de kapitalistische ordening van de maatschappij, met het individueel eigenbelang als leidend principe in de economie en met de daarmee samenhangende ondernemingsgewijze productie, de markt, de concurrentie en de winst, door de ontwikkeling achterhaald is en plaats moet maken voor een nieuwe maatschappelijke ordening. Met een rationele planning van de economische productie en consumptie in plaats van de chaotische gang van zaken in de markteconomie. Met de nadruk op gemeenschapszin en solidariteit in plaats van op individueel eigenbelang. Met een visie op de samenleving die mensen maatschappelijk inspireert en actief maakt en vertrouwen geeft voor de toekomst. Als het gaat over het oplossen van de crisis spreekt Lagarde over zaken als collectief leiderschap, samenwerking en afstemming. Maar de term socialisme neemt zij nergens in de mond.
    Dat is het tweede taboe in de discussies over de crisis.

    Willem de Vroomen

  • za 10 september 2011 18:38, bij It's capitalism, stupid!

    Willem

    Oorzaken van de economische crisis.

    In de media wordt veel gepubliceerd en verkondigd over de huidige economische crisis en de oorzaken daarvan. Opvallend is dat de vele ‘deskundigen’ geen eensluidend oordeel geven over deze kwestie. Heel veel antwoorden passeren de revue, met als belangrijk kenmerk de morele component. Gebrek aan leiderschap, onverantwoordelijk gedrag, ontbrekend vertrouwen, inhaligheid, graaigedrag, consumptiedwang, zelfs consumptieverslaving met daar tegenover dan weer voorzichtigheid met bestedingen (‘vraaguitval’) en versterkt spaargedrag. Nog onlangs noemde een hoogleraar (!) economie in de krant als oorzaak van de crisis dan weer: “overmatig consumentisme en materialisme”. Soms worden termen gebruikt die de indruk wekken van geleerde ‘wetenschappelijke’ objectiviteit: verouderde productiecapaciteit, lage productiviteit, negatief investeringsklimaat, te weinig of juist te veel overheidsinvesteringen, te hoge of juist te lage rente, een actievere of juist terugtredende overheid, te geringe concurrentiekracht. In het algemeen kan gezegd worden dat de symptomen van de economische crisis verward worden met de oorzaken. En het verwarren van symptomen en oorzaken leidt uiteraard tot het volledig ontbreken van een eensluidende visie op mogelijke oplossingen. De diverse oplossingen zijn vaak volstrekt met elkaar in tegenspraak en worden ook weer gekenmerkt door een morele benadering. En ook hier weer die zelfde quasiwetenschappelijke, elkaar vaak tegensprekende en in strijd met elkaar zijnde benaderingen. Al die tegenstrijdigheden houden natuurlijk direct verband met het feit dat veel bestaande economische en politieke machtsgroepen tegenstrijdige belangen hebben. Met de aan iedere groepering verbonden elkaar tegensprekende ‘wetenschappelijke’ economen. De economische wetenschap is dan ook nauwelijks een wetenschap te noemen, maar eerder de ideologische spreekbuis van machtige groeperingen in economie en politiek. Tenslotte valt op dat voor de huidige situatie een aantal termen wordt gebruikt om de aard van die situatie te verbloemen: kredietcrisis, bankencrisis, financiële crisis, recessie, depressie. En zoals al eerder genoemd: vertrouwenscrisis, waardencrisis, politieke crisis, moreel failliet enzovoort. Terwijl het toch helder is waar het om gaat: een crisis in de kapitalistische economie.
    De kapitalistische economie.
    Wanneer ondernemers zich zorgen maken over ‘onze’ economie, beweren ze vaak dat de productiviteit te laag is. Ze bedoelen daarmee dat het verschil tussen kosten en opbrengsten van werknemers te klein is. Met uiteraard negatieve gevolgen voor de winsten. Om te beginnen zullen de kosten dus omlaag moeten. Kosten verlagen kan op verschillende manieren. Lonen en salarissen verlagen of in ieder geval niet laten stijgen, dat is een eerste. Een tweede is de arbeidstijd verlengen, werknemers langer laten werken dan b.v. acht uur per dag, het aantal vakantiedagen verminderen of de pensioenleeftijd verhogen. Ook voor het vergroten van de opbrengsten hebben ondernemers mogelijkheden. De eerste is investeren in arbeidsbesparende machines. Dat mes snijdt aan twee kanten: er zijn minder werknemers nodig, dus de loonkosten dalen. Maar ook: door het gebruik van machines kan er meer en goedkoper geproduceerd worden dan door de concurrentie. Met andere woorden: de opbrengsten nemen toe. Een tweede is de inzet van beter geschoolde werknemers. Beter geschoolde werknemers produceren beter en kunnen ook de vaak ingewikkelde machines bedienen. Ook dat leidt weer tot hogere opbrengsten.
    Toen Karl Marx en Friedrich Engels ruim 150 jaar geleden de toenmalige kapitalistische economie analyseerden, beschreven zij ook de hierboven genoemde processen. Ze gebruikten andere termen. Spraken niet over werknemers, maar over arbeidersklasse. Niet over werkgevers, maar over kapitalistenklasse of bourgeoisie. Het verschil tussen dat wat een arbeider nodig heeft om met zijn gezin van te leven en het door hem geproduceerde, noemde Marx “meerwaarde”. Die meerwaarde ontdekte hij als de bron van de winst. De toename van de productiviteit zoals dat tegenwoordig genoemd wordt, noemden zij de groei van de meerwaarde. De strijd om lonen en werktijden, tussen arbeiders en kapitalisten, noemden Marx en Engels “klassenstrijd”. Die strijd dwingt de ondernemers hun productie steeds te moderniseren om arbeidskosten te besparen.
    Daarom is klassenstrijd eigenlijk de motor van de economische en maatschappelijke vooruitgang. Maar tegelijk roept dat proces zelf onoplosbare tegenstellingen op. Ten eerste daalt door die modernisering en die besparingen op arbeidskosten de winst.
    Omdat arbeid de bron is van meerwaarde en winst, zorgen arbeidsbesparende machines voor een daling van de winst. Machines zelf leveren immers geen meerwaarde. En dus ook geen winst. Ze maken alleen de werknemer productiever. Een tweede probleem is dat door machines overbodig geworden werknemers geen loon of salaris meer ontvangen en dus de geproduceerde goederen niet meer kunnen kopen. Dankzij machines wordt er veel meer geproduceerd, maar minder geconsumeerd: Overproductie en onderconsumptie. Dalende winsten, overproductie, te weinig consumptie, verminderde economische groei, allemaal oorzaken en symptomen van de steeds weer terugkerende crises in de kapitalistische economie.
    Globalisering.
    Oplossingen werden en worden gezocht door kapitaal buiten de grenzen te investeren, op zoek naar grondstoffen, arbeidskrachten en nieuwe afzetmarkten. Deze eerste globalisering van de kapitalistische economie aan het eind van de negentiende eeuw leidde tot spanningen en tegenstellingen vergelijkbaar met die van de huidige globalisering. Toen die globalisering, zich manifesterend in kolonialisme en imperialisme, geen duurzame oplossing bood voor de problemen van de kapitalistische economie, bleef de alles verwoestende oorlog tussen concurrerende kapitalistische landen een laatste redmiddel: in de loop van de vorige eeuw alleen al twee wereldoorlogen. Plus koloniale en onafhankelijkheidsoorlogen in gebieden buiten Europa en Amerika.
    Krediet.
    Door de onvermijdelijk voortdurend dalende winsten blijft er onvoldoende kapitaal over om opnieuw te investeren. Als reactie daarop wordt in de kapitalistische economie het moderne kredietsysteem op steeds grotere schaal toegepast. In feite is dat niets anders dan investeren van kapitaal dat nog niet in de productie is verdiend, er wordt een voorschot genomen op toekomstige productie. Dat daar op de langere duur grenzen aan zijn, kan ieder mens met een gezond verstand begrijpen. De tegenwoordige ‘kredietcrisis’ is daarvan een illustratie.
    China.
    Bankiers en financiers zijn er lang in geslaagd de fundamentele tegenstelling tussen groeiend aanbod en stagnerende vraag (overproductie en onderconsumptie!) te overbruggen. Dat houdt onder meer verband met de enorme economische groei in China in de afgelopen jaren. Tegen zeer lage lonen worden in China veel consumptiegoederen geproduceerd. Maar juist door de lage lonen zijn de Chinese arbeiders niet altijd in staat die goederen ook zelf te kopen. Dus wordt een groot deel van die productie uitgevoerd, naar Amerika, maar ook naar Europa en andere landen in de wereld. Die invoer in Amerika en andere landen wordt aan China betaald in dollars. China en de rest van de wereld beschikken dus over een enorme hoeveelheid dollars die voor een groot deel weer worden uitgeleend aan de Amerikaanse regering en aan Amerikaanse banken en bedrijven. Met die dollars wordt de Amerikaanse staatsschuld (en de Amerikaanse oorlogsvoering!) gefinancierd. Een staatsschuld van duizenden miljarden dollars. Via banken en financiers werd de Amerikaanse bevolking in staat gesteld op grote schaal op krediet te consumeren, ondanks de ook in Amerika dalende inkomens van de werkende bevolking. Het is duidelijk dat Amerika nooit werkelijk in staat zal zijn die enorme schulden af te lossen. Er komt een moment dat de kunstmatige koers van de dollar instort, met een diepe economische crisis op wereldschaal als resultaat. De praktijken van de kredietverstrekkers zijn volledig los geraakt van de maatschappelijke en economische werkelijkheid. De zogenaamde zakenbanken die samenwerken met beleggingsfondsen hebben helemaal geen spaargeld als basis voor hun financieringen, eigenlijk helemaal geen reëel geld. Zij lenen het geld van andere banken en financiers, die dat geld op hun beurt ook weer geleend hebben. Want die andere banken die wel een dergelijke basis moeten aanhouden kunnen volstaan met slechts 5 tot 6 en soms zelfs met maar 3 tot 4 procent dekking met reëel geld.

    Tegelijkertijd hebben die zelfde kredietverstrekkers door hun financiële en economische macht een onvoorstelbare en niet te controleren invloed op die maatschappelijke en economische werkelijkheid. Dat dit systeem moet vastlopen en in elkaar klappen zien we nu in de huidige economische crisis gebeuren.
    Euro.
    Ook de recente problemen met de euro zijn een element van de economische crisis. De banken die zichzelf door de ongecontroleerde kredietverstrekkingen in de problemen hadden gebracht moesten door de diverse Europese overheden worden gered. Daardoor groeiden de schulden van die overheden (staatsschuld) tot enorme hoogte, vooral in de zwakste economieën van Griekenland, Portugal en Ierland. De schulden in die landen waren in de afgelopen jaren ook al enorm toegenomen door de financiering op krediet van de import vanuit vooral de noordelijke Europese landen, in het bijzonder vanuit Nederland en Duitsland. De schulden van die zwakke landen (staatsobligaties) zijn in handen van banken, in die landen zelf, maar ook van banken in en buiten Europa. Bij een faillissement van één of meerdere landen komen die banken enorm in de problemen en dreigen ook daar faillissementen. Daarom moeten die zwakke landen koste wat kost gesteund worden vanuit Europese en internationale noodfondsen. Met ook hier weer natuurlijk het zelfde probleem: die noodfondsen zijn niet gevuld met reëel geld maar met geld dat nog niet in de huidige of toekomstige productie is verdiend. En dit hele proces wordt nog eens verder gestimuleerd door de ongecontroleerde activiteiten van internationale financiers en speculanten. Interessant maar tegelijkertijd verbijsterend is het dan een vooraanstaande sociaaldemocratische politicus te horen beweren dat de oplossing voor de crisis gevonden moet worden in het “herstel van het vertrouwen in de financiële markten”. De laatste voorstellen voor een oplossing gaan nu in de richting van verder gaande Europese politieke en economische eenwording, met verlies van nationale zelfstandigheid van de Europese landen. Het ‘heldhaftige’ verzet van niet alleen populistische politici zal dit niet kunnen keren. Voor de redding van de kapitalistische economie is een ontwikkeling naar de federale Verenigde Staten van Europa niet te stoppen. In de jaren zestig van de negentiende eeuw was er in Amerika zelfs een burgeroorlog voor nodig om dit proces te voltooien. Het verschil is dat dit toen nodig was voor de verdere groei van de kapitalistische economie. In het huidige Europa is het slechts een noodsprong die de crisis kan vertragen, maar niet oplossen.
    Groei.
    Ook de kwestie van de ‘economische groei’ hangt samen met de aard van de kapitalistische economie. In de aanvang ontwikkelt een kapitalistische economisch systeem zich razendsnel, met groeicijfers van wel tien procent of meer per jaar. Tot de problemen zich aandienen van overproductie, onderconsumptie, dalende winsten, minder kapitaal beschikbaar om te investeren. En de economische groei begint te stagneren. Als reactie gaan ondernemers en investeerders op zoek naar nieuwe terreinen om kapitaal (op krediet) winstgevend te maken. Dat is de achtergrond van het neoliberale beleid om nieuwe gebieden onder de werking van de markt te brengen en ook publieke diensten meer en meer te privatiseren of te verzelfstandigen: energie, openbaar vervoer, onderwijs, gezondheidszorg, post. Er zit ook nog een tweede kant aan dat kredietsysteem. Door de overproductie en de dreigende onderconsumptie is er bij de consumenten met hun relatief (en vaak ook absoluut) dalende inkomens onvoldoende mogelijkheid de door werknemers geproduceerde goederen (en diensten) aan te schaffen. Als oplossing worden die consumenten ertoe verleid en verplicht om veel op krediet te kopen: huizen, auto’s, huishoudelijke apparatuur enz. Ook dat is een onderdeel van de ‘kredietcrisis’. Beide kanten van die crisis manifesteren zich op dit moment het sterkst in Amerika, maar ook Groot-Brittannië en Europa (eurocrisis!) ontkomen er niet aan. Ook China en andere goedkoop producerende landen ondervinden er de gevolgen van. De stagnerende export heeft in China al sluiting van bedrijven en groeiende werkeloosheid veroorzaakt. Verhoging van de lonen om zo de consumptie te stimuleren is onmogelijk, want dat leidt ook in het kapitalistische China tot vermindering van de meerwaarde en tot daling van de winsten. Zo is de cirkel rond en stort de kapitalistische economie de wereld in een economische crisis vergelijkbaar met de crisis in de jaren dertig van de vorige eeuw.
    Het “reserveleger”.
    Als in de kapitalistische economie de werkeloosheid groeit, leidt dat vaak tot vreugde bij de investeerders en tot stijging van koersen op de beurzen. Dat lijkt merkwaardig, maar dat is het niet. Toenemende werkeloosheid leidt immers tot veel aanbod van en een verminderde vraag naar arbeidskrachten. De prijs daalt. Lonen dalen, of stijgen in ieder geval niet. Dat leidt echter zoals gezegd direct weer tot een nieuw probleem: lagere lonen betekenen verminderde consumptie. Allereerst vooral bij bedrijven die produceren voor de binnenlandse markt of zich bezig houden met de distributie en verkoop van goederen. Een ondernemer betaalt zijn personeel graag weinig loon, maar hoopt dat zijn concurrenten hoge lonen moeten betalen. En hoopt ook dat die hogere lonen aan zijn producten uitgegeven worden. Die steeds weer terugkerende werkeloosheid levert dus een probleem aan de kant van de consumptie. Maar aan de kant van de productie is het onmisbaar: een groot aantal werkelozen drukt het loonpeil. Marx en Engels gebruikten voor deze in de kapitalistische economie onmisbare werkelozen de term “industrieel reserveleger”. Natuurlijk moet dat reserveleger wel beschikbaar zijn voor de productie, vandaar dat er zo veel energie besteed wordt aan scholing, bijscholing, omscholing van mensen zonder werk. Wat weer een nieuwe tegenstrijdigheid oplevert: die mensen produceren niet, maar kosten wel geld. Dat moet betaald worden uit belastinggeld, maar ondernemers betalen niet graag belasting, want dat gaat ten koste van de winsten en van het voor investeringen benodigde kapitaal. Ondernemers doen voortdurend een beroep op de overheid (in hun ‘kredietcrisis’ gaat het om honderden miljarden!), maar willen (en vooral: kunnen) aan dat overheidswerk niet mee betalen. Zij hebben behoefte aan goed geschoolde werknemers, maar willen en kunnen geen geld aan onderwijs en scholing besteden of er belasting voor betalen. Vandaar hun voortdurend klinkende oproep dat de overheidsuitgaven omlaag moeten.
    Conclusie.
    Al met al kan geconcludeerd worden dat de marxistische analyse van de kapitalistische economie ondanks alle veranderingen nog steeds nuttig en bruikbaar is. Dat was 150 jaar geleden ook de kracht van het werk van Marx en Engels: een analyse van de toenmalige economie en de daaraan gekoppelde maatschappelijke verhoudingen. Over de uitweg uit de kapitalistische tegenstrijdigheden, socialisme, hebben zij wel iets geschreven, maar alleen in zeer algemene termen. Ook over het socialisme als uitweg uit de huidige crisis kan maar in zeer algemene termen gesproken en gesproken worden. Zonder met een blauwdruk voor een socialistische maatschappij te komen en zonder spitsvondige discussies over de precieze inrichting van die maatschappij. Het gaat er veel meer om te doorgronden waardoor de kapitalistische ordening van de maatschappij, met het individueel eigenbelang als leidend principe in de economie en met de daarmee samenhangende ondernemingsgewijze productie, de markt, de concurrentie en de winst, door de ontwikkeling achterhaald is en plaats moet maken voor een nieuwe maatschappelijke ordening. Met een rationele planning van de economische productie en consumptie in plaats van de chaotische gang van zaken in de markteconomie. Met de nadruk op gemeenschapszin en solidariteit in plaats van op individueel eigenbelang. Met een visie op de samenleving die mensen maatschappelijk inspireert en actief maakt en vertrouwen geeft voor de toekomst. Linkse, progressieve, sociaaldemocratische en anderszins maatschappijkritsische personen en organisaties moeten het initiatief nemen om de socialistische weg uit de huidige crisis opnieuw aan de orde te stellen. Want, om het maar duidelijk te stellen: “Alleen het socialisme biedt een toekomst!”.

  • di 21 juni 2011 11:02, bij Schofferen, beledigen en discrimineren

    Willem

    SP-wethouder in Alkmaar.

    In Den Haag heeft Wilders van de PVV maar één politiek doel: De PvdA en Groen Links uit de regering houden. Daarvoor is hij bereid een minderheidskabinet van CDA en VVD te ‘gedogen’. En is hij ook bereid allerlei beloften aan de kiezers te breken. Dat gedogen biedt CDA en VVD de kans allerlei sociale voorzieningen af te breken. Tot vreugde en tevredenheid van de ondernemers.
    De Alkmaarse politieke partijen hebben goed naar Den Haag gekeken en daar wat van geleerd. Ze kruipen bij elkaar in een college met als belangrijkste politieke doel: PvdA en Groen Links uit dat college weren.
    De Alkmaarse PVV is de partij OPA, met aanvoerder Kloos in de rol van Wilders. Het verschil is dat hij CDA en VVD niet hoeft te ‘gedogen’, maar dat zij bereid zijn samen met hem een college te vormen. De populisten van OPA, samen met de ondernemers van CDA en VVD. En met als vierde wiel aan de wagen Trots Op Nederland, de partij van Rita Verdonk.
    Een fraai politiek gezelschap, dat echter toch ook niet zonder een ‘gedogende’ partij kan om een raadsmeerderheid te halen. En tot veler verrassing hebben ze die gevonden in de Alkmaarse SP. De SP in Alkmaar heeft samen met de genoemde partijen politiek gekonkeld in achterkamertjes om hun gemeenschappelijke politieke doel te formuleren: PvdA en Groen Links uit het college. Met als stok om de hond te slaan de verhuizing van het ziekenhuis uit Alkmaar naar Heerhugowaard. Waarvoor juist VVD-wethouder de Baat en de CDA-burgemeester de eerst verantwoordelijken waren.
    Het bijzondere van deze rol van de SP is dat de SP-fractie in deze raadsperiode en daarvoor steeds geprobeerd heeft bij de PvdA in een goed blaadje te komen. Het meest opvallend was dat in de kwestie van het Alkmaarse culturele prestigeproject YXIE. De SP-fractie hoorde bij de uitgesproken voorstanders. Toen de tegenstanders (omwonenden) van het te bouwen YXIE een referendum aanvroegen over deze kwestie werd dat afgewezen, ook door de SP. Tot verontwaardiging van veel Alkmaarse SP-leden. Maar in het nieuwe college is de SP-fractie nu plotseling ook tegen YXIE.
    In de ledenvergadering heeft de fractie haar activiteiten en de deelname aan het nieuwe college van B&W verdedigd. Daarbij gebruik makend van een aantal nogal populistische argumenten, mogelijk goed passend in de nieuwe “bestuurscultuur” in Alkmaar. Ook tijdens deze vergadering bleek weer dat de SP-fractie nauw aansluit bij de politieke doelstellingen van de andere collegepartijen: het weren van PvdA en Groen Links uit het college. Alles wat in de afgelopen periode fout is gegaan in Alkmaar is nu de schuld van PvdA en Groen Links. Terwijl natuurlijk ook andere partijen daarvoor verantwoordelijk waren en er van krachtige oppositie van de zijde van de SP-fractie tegen die PvdA-politiek nooit veel was te merken.
    In de verhalen van de nieuwe collegepartijen in Alkmaar horen we de zelfde geluiden die ook in Den Haag van de zijde van CDA en VVD, maar vooral van de PVV, zijn te horen: alles wat fout is of niet deugt is de schuld van links. Bijna alle ambtenaren zijn lid van de PvdA, alle journalisten zijn links, rechters progressief en dus veel te soft. Kunst en cultuur zijn elitair en links. De politieke cultuur is anti-links en anti-progressief, in Nederland en nu ook in Alkmaar. En in Alkmaar met steun van de SP, de raadsfractie en de ledenvergadering. Nu moet ter verdediging van de ledenvergadering gezegd worden dat het niet meevalt enig verweer te voeren tegen de gebundelde krachten van de SP-fractie, het afdelingsbestuur en een drietal prominente vertegenwoordigers van de landelijke partijorganisatie. Vooral ook omdat in de afgelopen jaren in de Alkmaarse SP-afdeling geen enkele politieke discussie of scholing meer is georganiseerd.
    Voor de goede orde: SP-ers hebben geen medelijden met de PvdA of Groen Links en voelen geen enkele politieke verwantschap met die partijen. SP-ers volgen juist met zorg en onbegrip de tot niets leidende pogingen in Den Haag tot samenwerking van de SP met die zogenoemde linkse progressieve partijen. In plaats van een heldere socialistische oppositie te voeren, willen SP-bestuur en -fractie samenwerken met partijen die als antwoord op de crisis ook weinig meer te bieden hebben dan bezuinigingen en afbraak van sociale verworvenheden.
    Volgens de fractie in Alkmaar is het nieuwe collegeprogramma juist heel erg links en progressief, alle vijftien punten die door de SP-fractie waren ingebracht in de onderhandelingen zijn door de andere collegepartijen overgenomen. Een deel van die vijftien punten is nogal oppervlakkig, weinig zeggend en vooral populistisch geformuleerd.
    De volgende punten zijn wel typerend en van belang voor de SP en de SP-kiezers. Daar moet in de komende tijd nauwkeurig op gelet worden om te zien of zij ook werkelijk in de praktijk gerealiseerd worden.
    De SP in Alkmaar wil bij voorbeeld volgens het verkiezingsprogramma:
    betaalbare woningen in Alkmaar bouwen, met name gezinswoningen binnen de laagste huur- en koopcategorie, het gemeentelijk woningbedrijf heroprichten, minimaal 70% betaalbare woningbouw in bouwprojecten, in de binnenstad en de omliggende woonwijken alleen parkeren voor bewoners en bezitters van een invalidenkaart toestaan, alle vormen van privatisering in het onderwijs tegengaan, negentig nieuwe pensionplaatsen voor dak- en thuislozen inrichten, vergoeding van de eigen bijdragen in de gezondheidszorg en de WMO voor mensen met een inkomen tot 120% van het minimuminkomen, geen enkele verdere verzelfstandiging of privatisering van gemeentelijke voorzieningen en diensten, beperking van het aantal externe adviseurs
    Van al deze voor de SP belangrijke punten is niets concreets in het programma van het nieuwe college van Alkmaar terug te vinden. En ook niet na een aantal weken in de praktijk van het Alkmaarse gemeentebestuur.
    De vertegenwoordigers van de landelijke SP hebben benadrukt dat juist met een SP-wethouder in het college van B&W een sterke actieve afdeling nodig is. Terwijl natuurlijk de omgekeerde redenering moet gelden: Alleen met een sterke en actieve afdeling is het voor de SP verantwoord aan een college deel te nemen. En dat is juist waar het in de tegenwoordige SP aan ontbreekt: sterke en actieve afdelingen. En niet alleen in Alkmaar.

  • wo 22 december 2010 11:39, bij PvdA en GroenLinks samen op naar verkiezingen

    Willem

    Simon, kijk ook eens op www.nieuwsocialisme.nl

    Willem

  • ma 20 december 2010 12:32, bij PvdA en GroenLinks samen op naar verkiezingen

    Willem

    Alleen het socialisme biedt een toekomst.
    Veel wordt de laatste tijd geschreven en gesproken over de toekomst van links, van de progressieven en van de sociaaldemocratie. Voorstellen tot eenheid en samenwerking van verschillende politieke stromingen, met natuurlijk weer uitsluiting van anderen. Vooral rond de sociaaldemocratie buitelen de visies over elkaar heen. Tegelijkertijd somberheid en pessimisme alom en niet zonder reden. Er is geen toekomst meer voor de sociaaldemocratie. Haar geschiedenis is er een van voortdurende integratie in de politieke en bestuurlijke werkelijkheid van de kapitalistische maatschappelijke orde. En in de huidige fase rest de sociaaldemocratie niets anders dan meewerken aan en integreren in de neoliberale vorm van dat kapitalisme. Dat geldt natuurlijk ook voor de sociale, liberale, progressieve, veranderingsgezinde enzovoort partijen als Groen Links en D66. De weg van “alleen het socialisme biedt een toekomst” heeft de PvdA al lang voor zich zelf afgesloten. Overigens geldt dat ook voor die andere ‘linkse, socialistische’ partij als de SP die hoogstens een wat radicalere versie van sociaaldemocratie in de aanbieding heeft. Daarom is de tijd rijp om na te denken en in discussie te gaan over een nieuwe socialistische beweging in Nederland. Een discussie met mensen die bezorgd en verontwaardigd zijn over de maatschappelijke werkelijkheid in Nederland en in de wereld. Ouderen en jongeren die de wereld willen verbeteren, maar niet aan ‘politiek’ willen doen en niet ‘de politiek in willen’. Die zich niet aangetrokken voelen tot zich socialistisch noemende partijen die zich beperken tot het parlementaire werk en de verkiezingen daarvoor, zich richten op bestuurlijke verantwoordelijkheid en een instrument zijn voor politici die een bestuurlijke loopbaan nastreven. Discussie met mensen die dezelfde afkeer voelen bij allerhande maatschappelijke organisaties zoals milieubeweging en vakbonden. Die de chaos en daarmee de machteloosheid bij de antiglobalisten doorzien. Die niets verwachten van zich socialistisch, revolutionair, communistisch dan wel internationaal noemende organisaties van wie de grote woorden vooral tot uitdrukking komen in het gedrukte woord op krantenpapier. Mensen die hun bezorgdheid en verontwaardiging willen omzetten in actieve strijd voor een fundamentele maatschappelijke verandering. En zich realiseren dat voor dat actieve werk een organisatie nodig is. Een organisatie die, op basis van de klassieke marxistische maatschappijtheorie, vóór alles het absolute belang benadrukt van het concreet en praktisch werken onder de mensen. Dat werken onder de mensen zoals het hier bedoeld wordt is iets anders is dan het zich aansluiten bij of samenwerken met bestaande actiegroepen en belangenorganisaties. Dat het belang van het parlementaire werk en van de verkiezingen daarvoor tot de juiste geringere proporties terug gebracht. Het resultaat van die discussies zou de basis kunnen vormen voor een nieuwe socialistische beweging. Een nieuwe en moderne socialistische beweging die zich zal baseren en voortbouwen op de kennis en ervaring uit het rijke socialistische verleden.

    Willem de Vroomen

  • wo 03 november 2010 12:47, bij Politieke Economie van de Verkiezingen 2010

    Willem

    De kapitalistische economie.
    Wanneer ondernemers zich zorgen maken over “onze” economie, beweren ze vaak dat de productiviteit te laag is. Ze bedoelen daarmee dat het verschil tussen kosten en opbrengsten van werknemers te klein is. Twee oplossingen: kosten verlagen of opbrengsten verhogen.
    Kosten verlagen kan op verschillende manieren. De lonen en salarissen verlagen of in ieder geval niet laten stijgen, dat is een eerste. En tweede is de arbeidstijd te verlengen, de werknemers langer laten werken dan b.v. acht uur per dag. Of het aantal vakantiedagen te verminderen.
    Ook voor het vergroten van de opbrengsten hebben ondernemers mogelijkheden. De eerste is investeren in arbeidsbesparende machines. Dat mes snijdt aan twee kanten: er zijn minder werknemers nodig, dus de loonkosten dalen. Maar ook: door het gebruik van machines kan er meer en goedkoper geproduceerd worden dan door de concurrentie. Met andere woorden: de opbrengsten nemen toe. Een tweede is de inzet van beter geschoolde werknemers. Beter geschoolde werknemers produceren beter en kunnen ook de vaak ingewikkelde machines bedienen. Ook dat leidt weer tot hogere opbrengsten.
    Toen Karl Marx en Friedrich Engels ruim 150 jaar geleden de toenmalige kapitalistische economie analyseerden, beschreven zij ook de hierboven genoemde processen. Ze gebruikten andere termen. Spraken niet over werknemers, maar over arbeidersklasse. Niet over werkgevers, maar over kapitalistenklasse of bourgeoisie. Het verschil tussen dat wat een arbeider nodig heeft om met zijn gezin van te leven en het door hem geproduceerde, noemden Marx en Engels “meerwaarde”. Die meerwaarde ontdekten zij als de bron van de winst. De toename van de productiviteit zoals dat tegenwoordig genoemd wordt, noemden zij de groei van de meerwaarde.
    De strijd om lonen en werktijden, tussen arbeiders en kapitalisten, noemden Marx en Engels “klassenstrijd”. Die strijd dwingt de ondernemers hun productie steeds te moderniseren om arbeidskosten te besparen. Daarom is klassenstrijd eigenlijk de motor van de economische en maatschappelijke vooruitgang. Maar tegelijk roept dat proces zelf weer nieuwe problemen op. Ten eerste daalt door modernisering de winst. Omdat arbeid de bron is van meerwaarde en winst, zorgen arbeidsbesparende machines voor een daling van de winst. Machines zelf leveren geen meerwaarde. En dus ook geen winst. Ze maken alleen de werknemer productiever. Een tweede probleem is dat door machines overbodige werknemers geen loon of salaris meer ontvangen en dus de geproduceerde goederen niet meer kunnen kopen. Dankzij machines wordt er veel meer geproduceerd, maar minder geconsumeerd: Overproductie en onderconsumptie. Dalende winsten, overproductie, te weinig consumptie, verminderde economische groei, allemaal oorzaken en symptomen van de steeds weer terugkerende crises en recessies in de kapitalistische economie.
    Globalisering.
    Oplossingen werden en worden gezocht door kapitaal buiten de grenzen te investeren, op zoek naar grondstoffen, arbeidskrachten en nieuwe afzetmarkten. Deze eerste globalisering van de kapitalistische economie aan het eind van de negentiende eeuw leidde tot spanningen en tegenstellingen vergelijkbaar met die van de huidige globalisering. Toen die globalisering, zich manifesterend in kolonialisme en imperialisme, geen duurzame oplossing bood voor de problemen van de kapitalistische economie, bleef de alles verwoestende oorlog tussen concurrerende kapitalistische landen een laatste redmiddel: in de loop van de vorige eeuw alleen al twee wereldoorlogen. Plus koloniale en onafhankelijkheidsoorlogen in gebieden buiten Europa en Amerika.
    Krediet.
    Door de onvermijdelijk voortdurende dalende winsten blijft er onvoldoende kapitaal over om opnieuw te investeren. Als reactie daarop wordt in de kapitalistische economie het moderne kredietsysteem op steeds grotere schaal toegepast. In feite is dat niets anders dan investeren van kapitaal dat nog niet in de productie is verdiend, er wordt een voorschot genomen op toekomstige productie. Dat daar op de langere duur grenzen aan zijn, kan ieder mens met een gezond verstand begrijpen. De tegenwoordige ‘kredietcrisis’ is daarvan een illustratie.
    China.
    Bankiers en financiers zijn er lang in geslaagd de fundamentele tegenstelling tussen groeiend aanbod en stagnerende vraag (overproductie en onderconsumptie!) te overbruggen. Dat houdt onder meer verband met de enorme economische groei in China in de afgelopen jaren. Tegen zeer lage lonen worden in China veel consumptiegoederen geproduceerd. Maar juist door de lage lonen zijn de Chinese arbeiders niet in staat die goederen ook zelf te kopen. Dus wordt een groot deel van die productie uitgevoerd, naar Amerika, maar ook naar Europa en andere landen in de wereld. Die invoer in Amerika en andere landen wordt aan China betaald in dollars. China en de rest van de wereld beschikken dus over een enorme hoeveelheid dollars die voor een groot deel weer worden uitgeleend aan de Amerikaanse regering en aan Amerikaanse banken en bedrijven. Met die dollars wordt de Amerikaanse staatsschuld (en de Amerikaanse oorlogsvoering!) gefinancierd. Een staatsschuld van duizenden miljarden dollars. Via banken en financiers werd de Amerikaanse bevolking in staat gesteld op grote schaal op krediet te consumeren, ondanks de ook in Amerika dalende inkomens van de werkende bevolking. Het is duidelijk dat Amerika nooit werkelijk in staat zal zijn die enorme schulden af te lossen. Er komt een moment dat de kunstmatige koers van de dollar instort, met een diepe economische crisis op wereldschaal als resultaat.
    Dollar ‘wereldmunt’.
    Dit proces kon lange tijd doorgaan doordat de dollar sinds de tweede wereldoorlog als ‘wereldmunt’ gehanteerd wordt. Bijna alle betalingen tussen landen worden gedaan in dollars, met als bekendste voorbeeld de betalingen voor olieleveranties. Door de status van de dollar als ‘wereldmunt’ blijft de koers van de dollar kunstmatig op peil. Dit alles wordt nog verergerd door het feit dat banken en financiers niet alleen in Amerika maar over de hele wereld ertoe over zijn gegaan nieuwe financieringen op te zetten met bestaande schuldpapieren, onder andere met hypotheken. Nog slechts een klein deel van de huidige kredieten wordt dus gedekt door werkelijke productie in het heden en de nabije toekomst. Bron van financiering kunnen naast bedrijfswinsten eigenlijk alleen spaargelden zijn, naast pensioengelden als uitgestelde loonbetaling of uitgestelde consumptie. Daarnaast mogelijk nog betaalde premies voor verzekeringen en de betaalde lonen en salarissen op de particuliere spaarrekeningen.
    In werkelijkheid zijn de praktijken van de kredietverstrekkers volledig los geraakt van de maatschappelijke en economische werkelijkheid. De zogenaamde zakenbanken die samenwerken met beleggingsfondsen hebben helemaal geen spaargeld als basis voor hun financieringen, eigenlijk helemaal geen reëel geld. Zij lenen het geld van andere banken en financiers, die dat geld op hun beurt ook weer geleend hebben. Want die andere banken die wel een dergelijke basis moeten aanhouden kunnen volstaan met slechts 8 tot 10 en soms zelfs met maar 4 tot 6 procent dekking met reëel geld. Tegelijkertijd hebben die zelfde kredietverstrekkers door hun financiële en economische macht een onvoorstelbare en niet te controleren invloed op die maatschappelijke en economische werkelijkheid. Dat dit systeem moet vastlopen en in elkaar klappen zien we nu in de huidige economische crisis gebeuren.
    Groei.
    Ook de kwestie van de ‘economische groei’ hangt hiermee samen. In de aanvang ontwikkelt een kapitalistisch economisch systeem zich razendsnel, met groeicijfers van wel tien procent of meer per jaar. Tot de problemen van overproductie, onderconsumptie, dalende winsten, minder kapitaal beschikbaar om te investeren, zich aandienen en de economische groei begint te stagneren. Als reactie gaan ondernemers en investeerders op zoek naar nieuwe terreinen om kapitaal (op krediet) winstgevend te maken. Dat is de achtergrond van het neoliberale beleid om nieuwe gebieden onder de werking van de markt te brengen en ook publieke diensten meer en meer te privatiseren of te verzelfstandigen: energie, openbaar vervoer, onderwijs, gezondheidszorg, post.
    Er zit ook nog een tweede kant aan dat kredietsysteem. Door de overproductie en de dreigende onderconsumptie is er bij de consumenten met hun relatief (en vaak ook absoluut) dalende inkomens onvoldoende mogelijkheid de door de werknemers geproduceerde goederen aan te schaffen. Als oplossing worden die consumenten ertoe verleid en verplicht om veel op krediet te kopen: huizen, auto’s, huishoudelijke apparatuur enz. Ook dat is een onderdeel van de ‘kredietcrisis’. Beide kanten van die crisis manifesteren zich op dit moment het sterkst in Amerika, maar ook Groot-Brittannië en Europa ontkomen er niet aan. Ook China en andere goedkoop producerende landen ondervinden er de gevolgen van. De stagnerende export heeft in China al sluiting van bedrijven en groeiende werkeloosheid veroorzaakt. Verhoging van de lonen om zo de consumptie te stimuleren is onmogelijk, want dat leidt ook in het kapitalistische China tot vermindering van de meerwaarde en tot daling van de winsten. Zo is de cirkel rond en stort de kapitalistische economie de wereld in een economische crisis vergelijkbaar met de crisis in de jaren dertig van de vorige eeuw.
    Het “reserveleger”.
    Als in de kapitalistische economie de werkeloosheid groeit, leidt dat vaak tot vreugde bij de investeerders en tot stijging van koersen op de beurzen. Dat lijkt merkwaardig, maar dat is het niet. Toenemende werkeloosheid leidt immers tot veel aanbod van en een verminderde vraag naar arbeidskrachten. De prijs daalt. Lonen dalen, of stijgen in ieder geval niet. Dat leidt zoals gezegd direct weer tot een nieuw probleem: lagere lonen betekenen verminderde consumptie. Allereerst vooral bij bedrijven die produceren voor de binnenlandse markt of zich bezig houden met de distributie en verkoop van goederen. Een ondernemer betaalt zijn personeel graag weinig loon, maar hoopt dat zijn concurrenten hoge lonen moeten betalen. En hoopt ook dat die hogere lonen aan zijn producten uitgegeven worden. Die steeds weer terugkerende werkeloosheid levert dus een probleem aan de kant van de consumptie. Maar aan de kant van de productie is het onmisbaar: een groot aantal werkelozen drukt het loonpeil. Marx en Engels gebruikten voor deze in de kapitalistische economie onmisbare werkelozen de term “industrieel reserveleger”. Natuurlijk moet dat reserveleger wel beschikbaar zijn voor de productie, vandaar dat er zo veel energie besteed wordt aan scholing, bijscholing, omscholing van mensen zonder werk. Wat weer een nieuwe tegenstrijdigheid oplevert: die mensen produceren niet, maar kosten wel geld. Dat moet betaald worden uit belastinggeld, maar ondernemers betalen niet graag belasting, want dat gaat ten koste van de winsten en van het voor investeringen benodigde kapitaal. Ondernemers doen voortdurend een beroep op de overheid (in hun ‘kredietcrisis’ gaat het om honderden miljarden!), maar willen (en vooral: kunnen) aan dat overheidswerk niet mee betalen. Zij hebben behoefte aan goed geschoolde werknemers, maar willen en kunnen geen geld aan onderwijs en scholing besteden of er belasting voor betalen.
    Werkende vrouwen.
    Interessant aan de kwestie van het reserveleger is ook de positie van vrouwen. Als mannen en vrouwen met kinderen beide werken neemt de omvang van het reserveleger toe en daarmee de neerwaartse druk op de lonen. Tegelijk nemen de gezinsinkomens toe wat weer gunstig is voor de groei van de consumptie. Natuurlijk moeten die vrouwen ook geschoold zijn en moeten er voorzieningen zijn voor kinderopvang. Zaken die geld kosten, geld dat niet geconsumeerd of als kapitaal geïnvesteerd kan worden. De druk op vrouwen om te werken heeft dus weinig van doen met emancipatie, maar is een noodzakelijke druk vanuit de kapitalistische economie. En heeft al helemaal niets te maken met pleidooien voor ‘meer vrouwen in de top’. Alsof het werkende mensen iets zou interesseren of hun baas een man is of een vrouw. Een simpel uitgangspunt zou moeten zijn dat in een gezin met kinderen één van de partners het gezinsinkomen moet kunnen verdienen. En dan maakt het verder niets uit of dat de man of de vrouw is. Maar dat simpele uitgangspunt botst met de wetten van de kapitalistische economie. Ook de roep om langer doorwerken, verhoging van de pensioenleeftijd en verlaging van de pensioenen moet vanuit het perspectief van het reserveleger begrepen worden.
    Conclusie.
    Al met al kan geconcludeerd worden dat de marxistische analyse van de kapitalistische economie ondanks alle veranderingen nog steeds nuttig en bruikbaar is. Dat was 150 jaar geleden ook de kracht van het werk van Marx en Engels: een analyse van de toenmalige economie en de daaraan gekoppelde maatschappelijke verhoudingen. Over de uitweg uit de kapitalistische tegenstrijdigheden, socialisme, hebben zij wel iets geschreven, maar alleen in zeer algemene termen. Onze visie kan samengevat worden in de woorden “alleen het socialisme biedt een toekomst”. Maar over de precieze inhoud van dat socialisme kan niet veel gezegd worden, er bestaat geen blauwdruk.

  • wo 03 november 2010 12:42, bij Economische groei en bezuinigingen

    Willem

    Depressie.

    De economische crisis in het midden van de jaren 1870 vernietigde het tot dan heersende ideaal van het liberale kapitalisme: productie door concurrerende ondernemingen voor de vrije markt zou vooruitgang brengen voor iedereen. Het leek de bekroning van de in de revoluties van 1789 en 1848 op het feodalisme bevochten vrijheid van de bourgeosie. Inderdaad had vooral de periode vanaf 1848 een geweldige vooruitgang gebracht op het gebied van economie en wetenschap. Een tijdperk van ononderbroken vooruitgang leek aangebroken. De crisis rond 1875 maakte hieraan resoluut een einde en luidde tevens het einde in van de Britse hegemonie over de wereld, ondanks de groei en de bloei van het ‘British Empire’ in de jaren daarna. De macht van Frankrijk in de jaren van Napoleon had die hegemonie niet echt kunnen bedreigen. Maar vanaf 1875 tot 1918 moest Groot-Brittannië al Duitsland naast zich dulden. En de werkelijke hegemonie over de wereld werd overgenomen door de Verenigde Staten. Die Amerikaanse hegemonie was op het hoogtepunt in 1945 en begon vanaf 1975 tekenen van verval te vertonen. De neo-liberale globalisering was een poging het tij te keren. Onder president Reagan werd geprobeerd terug te keren naar het kapitalistische ideaal uit de negentiende eeuw: meer markt, meer concurrentie, vrijheid voor de ondernemers, minder overheid. Het resultaat: naast de Chinese is er nu wellicht geen andere economie met een grotere rol van de overheid dan de Amerikaanse. En zoals de crisis rond 1875 het einde van de Britse wereldmacht inluidde betekent de huidige crisis dat de Amerikaanse politieke en economische hegemonie over de wereld ten einde loopt.
    Na de crisis rond 1875 beleefde de wereld weer een langzame economische opbloei, met als hoogtepunt de jaren direct na de eerste wereldoorlog, op gang gebracht door de Amerikaanse oorlogseconomie. Die opbloei kwam abrupt tot een einde in de grote depressie vanaf 1929. Die depressie vond haar oorsprong in de toenmalige sterkste economie, de Amerikaanse. Pas in 1945, na de tweede wereldoorlog, eindigt de depressie en gaat over in een bloeiperiode met als hoogtepunt de jaren 1967 tot 1973. Eind jaren 70, begin jaren 80 zet langzaam de neergang in en die neergaande fase duurt nog steeds, slechts nu en dan onderbroken door opbloei en ondergang van speculatieve luchtbellen. Dat die neergang langzaam gaat en pas nu het stadium van crisis en depressie bereikt is te verklaren door de inspanningen van de centrale banken van Europa, Amerika en Japan en van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Door zware ingrepen in de markt hebben zij de wereldeconomie overeind gehouden: ten tijde van de beurscrisis in 1987, de kredietcrisis in 1989, de crises in Zuid-Oost-Azië, Brazilië en Rusland in de jaren negentig, om de meest opvallende te noemen. Een andere rem op de neergang was de mogelijkheid winstgevende productieve industriële activiteiten te verplaatsen van Europa, Japan en de Verenigde Staten naar China, India en Brazilië.
    In het verleden slaagde de wereldeconomie er telkens in perioden van crisis en depressie te overwinnen dankzij de oorlogseconomie in en de wederopbouw na de verwoestende wereldoorlogen, met miljoenen slachtoffers onder de burgerbevolking. Het is echter de vraag of het kapitalisme ook deze keer weer in staat zal zijn de weg omhoog terug te vinden. De dalende winstmarges, het steeds terugkerende probleem van overproductie en onderconsumptie (“vraaguitval” zoals economen dat zo mooi verhullend noemen!) zullen mogelijk met veel moeite onder controle gebracht kunnen worden, maar zeker niet op de korte termijn van één of twee jaar. En intussen zullen werkende mensen de zwaarste klappen moeten opvangen.
    Het staat vast dat het huidige economische systeem niet kan overleven. Protectionisme zal toenemen, met als gevolg toenemende internationale spanningen. De rol van de overheid in de productie zal zich verder uitbreiden. De sociale conflicten tussen de werkende bevolking enerzijds en de overheid en de economische machthebbers anderzijds worden harder en mogelijk gewelddadiger. Rechts-populistische regimes zullen de strijd aangaan met bewegingen die streven naar een meer sociale en democratische samenleving. Dat is wat ons in de komende tijden te wachten staat.

opiniemakers

Populair

Scroll naar boven Scroll naar boven

Tweet van de dag

zo 27 mei 2012

In Baywatch was het iedere dag dit weer.

Kakhiel